Als je een traject aangaat om af te vallen, sterker te worden of algemeen fitter dan starten we altijd met meten. Afhankelijk van je doel kunnen we verschillende metingen doen. Maar wat betekenen deze waardes allemaal en waarom is het van belang om te weten?

 

Gewicht en BMI
Het meten van het lichaamsgewicht is voor veel mensen leidend tijdens een afvaltraject. Dit komt o.a. omdat we vaak lezen en horen dat een gezond BMI belangrijk is. Het BMI is de ratio van lichaamsgewicht en je lengte, waardoor we kunnen zien of dat in een goede verhouding is. Een gezond BMI ligt tussen de 18,55 en 25. Zodra dit onder de 18,5 komt is er sprake van ondergewicht, boven de 25 overgewicht en als dit boven de 30 komt is er sprake van obesitas. Overgewicht en obesitas is een steeds meer voorkomend iets in onze samenleving. Dit heeft o.a. te maken met onze manier van leven en het continu beschikbaar hebben van (lekker) eten.

Echter is het een illusie dat het BMI een heilige formule is om te weten of iemand een gezond gewicht heeft. Iemand die heel veel sport en daardoor veel spiermassa heeft kan ook een hoog BMI hebben. Dit BMI is dan niet ongezond, omdat het lichaamsgewicht hoger is door de spiermassa. Daarom is het belangrijk om ook andere waardes te meten zoals het vet- en spierpercentage.

 

Vetpercentage
Met het meten van het vetpercentage kan gezien worden hoeveel procent van het lichaamsgewicht uit vet bestaat. Per leeftijdscategorie en geslacht zijn er verschillende waardes waarop een bepaald percentage nog gezond is. Over het algemeen kan gezegd orden dat voor vrouwen een gezond vetpercentage tussen de 21% – 36% ligt en voor mannen 7% – 25%. Met de hoger wordende leeftijd mag er iets meer vet in het lichaam aanwezig zijn.

Als iemand aan het afvallen is dan is het belangrijk de vetmassa te berekenen (vetpercentage x lichaamsgewicht) om te zien of iemand vet verliest.

 

Spierpercentage
Weten of je spieren kwijtraakt of erbij krijgt is bij ieder doel belangrijk. Ook bij het afvallen wil je graag meer spiermassa creëren omdat dit zorgt voor een hogere verbranding. Idealiter wil je dat het vetpercentage zakt terwijl het spierpercentage geleidelijk stijgt.

 

Visceraal vet
Ik meet ook altijd het visceraal vet op de weegschaal. Dit is een belangrijk waarde, omdat deze laat zien hoeveel van het vet zich bevindt rondom de belangrijke organen. Dit vet, dat zich bevindt rondom de buik, wordt ook wel het gevaarlijke vet genoemd.

 

Omvangmetingen
Ook de omvang van bepaalde lichaamsdelen is van belang. Zo een gezonde buikomvang bij vrouwen minder dan 80cm (verhoogd 80-88 cm en te hoog vanaf 88 cm)en bij mannen minder dan 94cm (verhoogd 94-102 cm en te hoog vanaf 102 cm). Ook de heupen, borst, benen en armen worden gemeten om te zien of hier vet vanaf gaat en/of spieren bijkomen.